Studiekosten volledig voor rekening van vertrekkende werknemer
Een afnemende verplichting tot terugbetaling van studiekosten naarmate het dienstverband voortduurt is geen vanzelfsprekendheid. Dat is af te leiden uit het arrest van 22 september 2006 van het Gerechtshof 's-Gravenhage. Kantonrechter en gerechtshof keuren het in deze casus goed dat na opzegging door de werknemer de werkgever overeenkomstig het gesloten studiekostenbeding de gemaakte studiekosten van de werknemer vrijwel volledig terugvordert. Relevant daarbij is dat de studie nog niet zo lang geleden is afgesloten en de omvang van de studieschuld in redelijke verhouding staat tot het salaris.
Partijen hebben bij de indiensttreding op 1 oktober 2000 van werknemer een studiekostenbeding gesloten. Dit houdt in dat werknemer aan werkgever het volledig bedrag aan studiekosten moet terugbetalen indien zij binnen drie respectievelijk vier jaren haar dienstbetrekking beëindigt. Werknemer zegt haar dienstverband bij werkgever per 31 december 2002. De werkgever verrekent met haar laatste salaris alle gemaakte studiekosten. Werknemer protesteert hiertegen. Bij de kantonrechter vordert zij terugbetaling van het verrekende bedrag. De kantonrechter wijst de vordering af.
Het Gerechtshof is het in hoger beroep met de afwijzing door de kantonrechter eens. Het Hof betrekt in zijn oordeel dat de werknemer door het volgen van de opleiding niet alleen de belangen van haar werkgever heeft gediend, maar ook haar eigen belangen. Verder vindt het Hof het relevant dat de beëindiging van het dienstverband niet aan de werkgever is te wijten of voor haar risico zou moeten komen.
Commentaar
In 1983 oordeelde de Hoge Raad dat het bij een studiekostenbeding redelijk is dat de omvang van de terugbetalingsverplichting afneemt naarmate het dienstverband voortduurt. De werknemer meende zich hierop te kunnen beroepen. Het Hof oordeelde anders. Bij nader inzien bleek dat de werkgever bij de verrekening een substantieel deel achterwege had gelaten. Ook stelde het Gerechtshof vast dat de periode van drie tot vier jaren waarop de gemaakte studiekosten betrekking hadden die de werkgever had verrekend "voor een niet te verwaarlozen gedeelte" nog niet was verstreken, "zodat op dat moment in zoverre nog niet van enig nut voor werkgever kan worden gesproken." Tot slot neemt het Hof in aanmerking dat het verrekende bedrag in redelijke verhouding staat met het salaris en de korte periode tussen declaratie en einde dienstverband.










