De hindernissen bij het aanvragen van collectieve werktijdverkorting
"Als gevolg van onverwacht verninderde afname draait mijn productiecapaciteit momenteel slechts op halve kracht. Mijn vaste, naar tevredenheid functionerende medewerkers wil ik echter nog niet ontslaan, omdat ik binnen enkele maanden kering van het bedrijfseconomische tij verwacht. Ontslag zal immers aanzienlijke kosten met zich kunnen meebrengen, niet in het minst vanwege de afvloeiingsregelingen die ik dan moet aangaan. Doorgaan op de voet van halve productiecapaciteit terwijl mijn medewerkers voor de helft van de tijd uit hun neus eten, zal mogelijk het voortbestaan van mijn bedrijf ook in gevaar kunnen brengen. Het liefst zou ik het salaris van mijn medewerkers tijdelijk eenzijdig willen verlagen. Dat mag echter niet zomaar. Nu hoorde ik dat het aanvragen van collectieve werktijdverkorting een mogelijkheid kan zijn om mijn bedrijf tijdelijk in de luwte te manouvreren. Klopt dat?"
Ja, dat klopt. Een van de mogelijkheden die de wetgever u biedt om bij economisch tegenwind uw personeelskosten te reduceren, is het aanvragen van collectieve werktijdverkorting. De salarisvermindering van uw werknemers wordt dan voor een deel gecompenseerd door een WW-uitkering. Zo werd collectieve werktijdverkorting tijdens de MKZ-crisis voor ruim 40.000 werknemers toegekend. De aanslagen van 11 september 2001 waren reden om voor ruim 30.000 werknemers in de luchtvaart- en reisbranche collectieve werktijdverkorting toe te staan. De wetgever heeft aan deze mogelijkheid echter wel strikte voorwaarden verbonden voordat u hiervoor in aanmerking mag komen.
In het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen is sinds 1940 als uitgangspunt vastgelegd dat werktijdverkorting verboden is. Aan u als werkgever is desalniettemin de mogelijkeid toegekend op dit verbod een ontheffing aan te vragen. Anders dan u wellicht zult verwachten heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet het UWV Werkbedrijf (als opvolger van het Arbeidsbureau), maar de Arbeidsinspectie belast met de behandeling van deze aanvragen. De Arbeidsinspectie is bij de beoordeling van de aanvragen gebonden aan beleidsregels, die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 1998 opnieuw zijn vastgesteld.
Geen normale bedrijfsrisico
Een wezenlijke voorwaarde waaraan u bij de aanvraag dient te voldoen, is dat de oorzaken van de verlangde werktijdvermindering "niet tot het normale bedrijfsrisico behoren". Achterliggende gedachte is dat u als ondernemer uw "normale" bedrijfsrisico's niet op de maatschappij mag afwentelen, maar zelf dient te dragen. De beleidsregels laten echter in het midden wat exact onder "normale bedrijfsrisico" moet worden verstaan. De Arbeidsinspectie rekent voorzienbare omstandigheden tot het normale bedrijfsricio, zoals seizoensinvloeden, valutaschommelingen, conjunctuurwisselingen, modetrends, aanloopproblemen, mismanagement en niet-extreme weersomstandigheden. Niet tot normale bedrijfsrisico's zijn calamiteiten te rekenen als brand, overstroming, ontploffing, besmettelijke vee- of plantenziekten en terroristische aanslagen. Een combinatie van bedrijfsspecifieke oorzaken en omstandigheden, die gecumuleerd uniek zijn, zal doorgaans evenmin als een normaal bedrijfsrisico worden bestempeld.
Als u aan deze voorwaarde voldoet, zal de Arbeidsinspectie verder van u als werkgever verlangen dat u de kosten van de verminderde bedrijvigheid van ten minste 20 procent gedurende maximaal zes weken als eigen risico zelf zult dragen en dat uw personeel zelf een bijdrage zal willen leveren aan het tijdelijk terugdringen van de arbeidskosten, bijvoorbeeld door het inleveren van ADV- of vakantiedagen. De vergunning voor werktijdverkorting zal maximaal zes weken geldig zijn en mag maximaal drie maal verlengd worden. Indien hierbij de maximale eigen risico termijn van zes weken opgeteld wordt, volgt hieruit dat u aannemelijk moet kunnen maken dat u uw productie binnen zes maanden weer op peil moet kunnen hebben.
Uit statistisch cijfermateriaal blijkt dat in het verleden de aangegeven voorwaarden soepel zijn toegepast. Bij een flinke dip in de economie, zoals van 1951-1953, 1958-1959, 1963, 1967, 1971-1975 en 1980-1983 is het instrument ruimhartig ingezet. In 1975 bijvoorbeeld is aan bijna 8.000 ondernemingen een ontheffing verleend. Na 1983 is de betekenis van het instrument echter afgenomen. Sindsdien is het vooral toegepast bij calamiteiten, veeziekten, exportverboden, de Golfoorlog, brand, overstromingen en ontploffing, zoals de Enschedese vuurwerkramp. Begin jaren 90 is een uitzondering op de strikte toepassing gemaakt voor enkele grote, voor Nederland gezichtsbepalende bedrijven, zoals Daf (3.000 werknemers), Fokker (10.000 werknemers), Nedstaal (1.000 werknemers) en Nedcar (4.000 werknemers). In het begin van het nieuwe millenium vond toepassing plaats voor 30.000 werknemers in de luchtvaartsector en in de reisbranche, omdat als gevolg van de aanslagen van 11 september 2001 het vertrouwen in het luchtverkeer ernstig beschadigd raakte, waardoor luchtvaartmaatschappijen als KLM, Martinair en Transavia waren gedwongen een groot aantal vluchten te schrappen. Philips kreeg voor 4.500 werknemers een ontheffing om de teloorgang in de chipindustrie op te vangen. In deze cijfers zijn de recente maatregelen in verband met de kredietcrisis niet meegenomen.










