Financiële compensatie voor arbeidsongeschikte medewerker bij einde dienstverband is niet vanzelfsprekend
Een medewerker die buiten eigen werk volledig arbeidsongeschikt raakt, heeft bij beëindiging van het dienstverband niet zondermeer recht op een financiële compensatie, ook niet als volgens die medewerker andere passende arbeid voorhanden zou zijn. Onlangs sprak de Hoge Raad zich hierover duidelijk uit. Van de volledig arbeidsongeschikte medewerker die anders dan de werkgever van mening is dat alternatieve passende arbeid wel voorhanden is, mag de werkgever een nauwkeurige en specifieke onderbouwing verlangen aan de hand van bij voorkeur medische gegevens.
De casus
De medewerkster is in dienst van SRK Rechtsbijstand als schadecorrespondente. Zij werkt er sinds juli 1979. Op 9 april 1996 overkomt haar een auto-ongeluk. Als gevolg daarvan loopt zij een whiplash en een botziekte op. Sinds april 1996 is zij arbeidsongeschikt. Uiteindelijk wordt zij volledig arbeidsongeschikt verklaard. SRK blijft haar salaris volledig doorbetalen.
Twee jaren nadat de schadecorrespondente arbeidsongeschikt is geraakt, vraagt SRK bij de toenmalige Regionale Directeur voor de Arbeidsvoorziening (tegenwoordig: UWV Werkbedrijf) een ontslagvergunning aan. Die wordt geweigerd. SRK zou de schadecorrespondente omvoldoende in de gelegenheid hebben gesteld aangepast werk te verrichten. Een jaar later waagt SRK een nieuwe poging, dit keer wel succesvol. De ontslagvergunning wordt op 26 januari 2000 verleend. Per 1 juni 2000 volgt het ontslag.
De schadecorrespondente is het niet met dit ontslag eens. Bij de Kantonrechter laat zij de zogenoemde "kennelijke onredelijkheid" ervan toetsen. Daarbij vordert zij een beeindigingsvergoeding van 90.848,00 euro. Zij voert aan dat SRK zich onvoldoende zou hebben ingespannen om haar in het arbeidsproces te laten reintegreren. Bovendien vindt zij dat haar werkgeefster haar vanwege de lange duur van haar dienstverband en de dramatische gevolgen voor haar van het ontslag een financiele compensatie had moeten aanbieden.
Tijdens de procedure geeft de ontslagen schadecorrespondente aan welke werkzaamheden zij nog wel had kunnen verrichten. Zo zou zij het onderdeel "schades wegtekenen" zonder veel problemen kunnen vervullen, dossiers met een karretje kunnen vervoeren (maar geen dossiers zoeken in volgestouwde kasten), terug kunnen bellen (maar dat kan bij lang en intensief telefoneren wel problemen opleveren), deeltaken bij postscreenen kunnen verrichten (want alles wat daarbij als typewerk wordt omschreven komt neer op het intikken van een dossiernummer, het met de muis aanklikken van voorgeprogrammeerde tekstdelen en het invullen van enkele bedragen en data), experts kunnen inschakelen (maar niet de gehele dag aan de telefoon zitten) en dossiers kunnen beeindigen (aangezien dit voornamelijk bestaat uit het intikken van gegevens in de computer en het deponeren ervan op een centraal verzamelpunt).
De schadecorrespondente krijgt zowel van de Kantonrechter als in hoger beroep van (toen nog) de Rechtbank ongelijk. Haar vorderingen worden in beide instanties afgewezen.
Nauwkeurig en specifiek
De Rechtbank stelt in zijn oordeel ten gunste van de schadecorrespondente weliswaar voorop "dat uit het enkele feit dat aan eiseres uiteindelijk een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend niet volgt dat zij in het geheel niet meer zou kunnen werken, noch dat SRK niet gehouden zou zijn om haar passend werk te latten verrichten, indien dat voorhanden is". Nu de schadecorrespondente volledig arbeidsongeschikt was, rustte op haar desalniettemin de plicht nauwkeurig en specifiek aan te geven welke werkzaamheden zij dan nog wel kan verrichten. Dat had zij dan bovendien dienen te onderbouwen met medische argumenten. De rechtbank oordeelt de onderbouwing van de schadecorrespondente ("waarin eiseres ook zelf diverse serieuze beperkingen inbouwt") als onvoldoende. "Zij stelt bovendien niet in hoeverre deze door haar genoemde functieonderdelen zijn te verenigen met de door het GAK vastgestelde medische beperkingen, terwijl verder een objectief-medische onderbouwing - bijvoorbeeld door middel van overlegging van een verklaring van een arts - ontbreekt."
De Rechtbank komt tot de conclusie dat niet is gebleken dat SRK onvoldoende heeft gedaan om de schadecorrespondente in een passende functie te reintegreren. Het langdurig dienstverband en het gebrek aan uitzicht op werk bij een andere werkgever leggen voor de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om toch een financiële compensatie te rechtvaardigen. Evenmin maakt de weigering om een financiële compensatie toe te kennen wegens het beeindigen van het dienstverband die beëindiging kennelijk onredelijk.
Bij de Hoge Raad stelt de schadecorrespondente dat Kantonrechter en Rechtbank een onjuist vonnis hebben gewezen. De Hoge Raad laat echter de oordelen in stand. Op de overwegingen van de beide lagere rechters valt volgens de Hoge Raad niets aan te merken. (HR 23 april 2004, LJN AO4595).
COMMENTAAR
Wanneer ben je als werkgever verplicht een financiele compensatie aan te bieden als een van je medewerkers tijdens het dienstverband langdurig en volledig arbeidsongeschikt raakt en je na 2 jaar het dienstverband beeindigt wegens die voortdurende arbeidsongeschiktheid? In de juridische wereld in het algemeen en bij kantonrechters in het bijzonder bestond over de exacte criteria lange tijd verwarring. De vonnissen van kantonrechters liepen over deze vraag nog wel eens uiteen. Een enkele kantonrechter suggereerde dat het enkele feit van arbeidsongeschiktheid reeds een financiele compensatie bij de beeindiging van het dienstverband rechtvaardigde. Die verdeeldheid kwam de rechtszekerheid niet ten goede.
Zware stel- en bewijsplicht
Omdat de bovenbeschreven casus aan de Hoge Raad is voorgelegd, heeft deze hoogste Nederlandse rechterlijke instantie verdere duidelijkheid kunnen verschaffen. De uitspraak is om meerdere redenen interessant en kan voor werkgevers gunstig uitpakken. De Hoge Raad erkent hiermee namelijk een zware stel- en bewijsplicht voor werknemers.
De Hoge Raad stelt (evenals kantonrechter en rechtbank in deze casus) voorop dat een medewerker die door de uitkerende instelling volledig arbeidsongeschikt is verklaard nog best in staat kan worden geacht werkzaamheden te verrichten. Dat houdt verband met de wijze waarop de mate van arbeidsongeschiktheid in de praktijk wordt vastgesteld. Voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt namelijk een vergelijking gemaakt met het zogenoemde "maatmaninkomen". Volledige arbeidsongeschiktheid wil niet veel meer zeggen dan dat de restverdiencapaciteit van de arbeidsongeschikte medewerker ten opzichte van de "maatman" met 100 procent afneemt. Het wil niet zeggen dat hij niet meer in staat is werkzaamheden te verrichten. Vanzelfsprekend zullen dat dan wel zeer eenvoudige werkzaamheden zijn.
Met betrekking tot gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerkers heeft de Hoge Raad al in eerdere uitspraken uitgemaakt dat op de werkgever de verplichting rust "die werknemer in staat te stellen om (...) arbeid te verrichten welke voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die hem met het oog op zijn opleiding en arbeidsverleden kan worden opgedragen", waarop als uitzondering geldt: "tenzij op grond van door werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden moet worden geoordeeld dat dit redelijkwijs van deze niet valt te vergen". Met de bovenbeschreven uitspraak bevestigt de Hoge Raad dat die verplichting ook op de werkgever rust met betrekking tot volledig arbeidsongeschikte medewerkers.
Tot zover de verplichtingen waaraan de werkgever is gebonden als hij met een al dan niet volledig arbeidsongeschikte werknemer wordt geconfronteerd. Ook aan de arbeidsongeschikte werknemer wordt een belangrijke eis gesteld. Die is dat volgens vaste rechtspraak het initiatief tot herplaatsing bij de arbeidsongeschikte werknemer dient te liggen. Het is de arbeidsongeschikte werknemer die zich tegenover zijn werkgever nadrukkelijk bereid moet verklaren andere passende arbeid te verrichten. Een dergelijke bereidheid wordt volgens vaste rechtspraak slechts aangenomen indien de werknemer doet blijken de aangeboden arbeid daadwerkelijk te zullen hervatten zodra de werkgever hem hiertoe de gelegenheid biedt. Bovendien mag van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer worden verwacht met een voorstel te komen waarbij hij de aangeboden arbeid afdoende specificeert.
Medische gegevens
In de beschreven casus gaat de Hoge Raad een stap verder met betrekking tot de eisen die de werkgever mag stellen aan de werknemer die buiten eigen werk volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Van hem mag de werkgever verlangen dat hij nauwkeurig en specifiek aangeeft tot welke werkzaamheden hij zich nog wel in staat acht, maar vooral ook dat hij die in geval van discussie behoorlijk onderbouwt, bij voorkeur met medische gegevens. Daarnaast lijkt het erop dat bij een buiten werk volledig arbeidsongeschikt geraakte werknemer van de werkgever minder reintegratie-inspanningen gevergd zullen worden. Het financiële belang om tot de herplaatsting van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer te komen, is immers groter dat dat van de van de volledig arbeidsongeschikte werknemer.
Wat in deze uitspraak misschien wel de belangrijkste vaststelling is, is dat rechters het bepaald geen vanzelfsprekendheid vinden dat elke beëindiging van het dienstverband op initiatief van de werkgever zou moeten leiden tot een beëindigingsvergoeding. Met name niet als sprake is van arbeidsongeschiktheid die niet is ontstaan op het werk en waarbij geen andere passende arbeid voorhanden is. Op de arbeidsongeschikte werknemer die van mening is dat andere passende arbeid wel voorhanden is, rust een essentiële stel- en bewijsplicht.










