Uit de bocht gevlogen
Voor de Nederlandse vestigingen van een internationaal opererend autoverhuurbedrijf behartigde ik de belangen bij arbeidsrechtelijke kwesties. Onder andere was aan de orde het ontslag op staande voet van een van de medewerkers nadat hij total loss schade had veroorzaakt een een snelle auto die hij in het kader van een poolregeling een avond van cliënte had meegekregen. Die schade was ontstaan omdat hij onder invloed van alcohol verkerend ruw ermee had gereden en uit de bocht tegen een vangrail was gevlogen. Het was echter twijfelachtig of het ontslag op staande voet voor de rechter stand zou houden omdat de schade niet tijdens werktijd was veroorzaakt, maar tijdens zijn privétijd.
Van tevoren heb ik via de rechtbank een uitspraak van de strafrechter weten te bemachtigen waaruit het bewijs naar voren kwam dat deze medewerker ten tijde van het ongeval inderdaad onder invloed van alcohol had verkeerd. Dit bewijs kon alleen boven water komen met gericht zoeken en bij de juiste instantie opvragen. Toen het kwam tot dagvaarding door de medewerker waarin hij in kort geding van mijn cliënte doorbetaling van het salaris vorderde en wedertewerkstelling, wisten we hem hiermee te confronteren. Hij heeft zijn vordering geen stand laten houden, maar koos eieren voor zijn geld. Het kwam tot een beeindiging met wederzijds goedvinden zonder dat hij een vergoeding meekreeg.
Vervolgens vorderde ik voor dit bedrijf de schade die deze inmiddels ex-medewerker aan de auto die hij had meegekregen had veroorzaakt. De ex-medewerker verweerde zich met ondermeer het argument dat hij op grond van de wet alleen de schade hoeft te betalen die met opzet is veroorzaakt. Wij voerden aan dat dit op zichzelf juist is indien de schade tijdens het uitoefenen van de werkzaamheden wordt veroorzaakt. In dit geval was de schade buiten werktijd veroorzaakt. Bovendien was wel sprake van opzet omdat de medewerker zoals door mij aangetoond strafrechtelijk was veroordeeld voor rijden onder invloed, hetgeen gelijk staat aan opzet. De rechter stelde mijn cliënte volledig in het gelijk. De uitspraak is gepubliceerd in een vaktijdschrift. Zie JAR 2005/7.
De plaat gepoetst
Een schoonmaakbedrijf benaderde mij nadat zij één van de schoonmaaksters op staande voet had ontslagen. Deze schoonmaakster was voor de zoveelste keer niet op haar werk verschenen ondanks telefonisch contact de avond van tevoren over de lokatie en aard van de schoonmaakopdracht. Nadat ze was ontslagen, beweerde de schoonmaakster dat ze zich bij cliënte had ziekgemeld. Cliënte ontkende dit in alle toonaarden.
De schoonmaakster vorderde in kort geding de wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Haar vordering was in juridisch opzicht kansrijk. Het bewijs dat ondanks het telefonisch contact de avond ervoor geen ziekmelding had plaatsgevonden ligt namelijk bij de werkgever en de werkgever beschikte niet over dat bewijs. Wij voerden echter aan dat het erg onwaarschijnlijk was dat de schoonmaakster ten tijde van haar beweerdelijke ziekmelding ziek was geweest omdat ze de dag ervoor en de middag erna wel op haar werk was verschenen. De kantonrechter geloofde na een intensieve zitting uiteindelijk mijn cliënte en wees de vorderingen van de schoonmaakster af. De uitspraak is onlangs ter publicatie in een vaktijdschrift aangeboden.
De laatste eer
Een begrafenisondernemer benaderde mij omdat ze één van haar medewerkers wegens overtolligheid moest ontslaan. De overtolligheid ontstond nadat door de overheid nieuwe bezuinigingswetgeving tot stand was gekomen waardoor ziekenhuizen en verpleeghuizen voortaan zelf voor het afleggen van de lijken moesten zordragen. Voor ontslag kwam alleen in aanmerking een oudere man die ook als één de langste in dienst was. De anciënniteitsregels van de CWI verzetten zich daarom tegen diens ontslag. Hij was echter alleen chauffeur van de lijkauto en drager en wilde zich niet bezighouden met afleggen. Met de man hebben we 2 intensieve gesprekken gevoerd. Daarbij nam ik in overleg met de begrafenisondernemer als mijn opdrachtgever een bemiddelende rol op mij. De begrafenisondernemer wilde tot op zekere hoogte in harmonie afscheid nemen vanwege zijn goede naam in de lokale gemeenschap. Uiteindelijk hebben we de medewerker een afvloeiingsregeling kunnen aanbieden waarmee hij genoegen wilde nemen en is de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter pro forma ontbonden.
Poundwise without being pennyfoolish
Een engelstalig, in België wonende statutair directeur van een internationale handelsonderneming in kantoortoebehoren hielp ik op zijn verzoek (na raadpleging van mijn website) met zijn onderhandelingen over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Ik hielp hem aan argumenten waarmee hij zijn afvloeiïngsregeling van enkele tonnen in Euro's met nog zo'n anderhalve ton aan euro's wist op te schroeven. Eén en ander is uiteindelijk bijgesteld en geformaliseerd in een engelstalige beëindigingsovereenkomst waaraan ik enkele essentiële bepalingen heb toegevoegd en in een pro forma ontbindingsbeschikking.
De geldswaarde van een concurrentiebeding
Een statutair directeur van een industriële onderneming vroeg mij hem te helpen met onderhandelingen over een nieuwe arbeidsovereenkomst. De groot-aandeelhouder wilde namelijk aanpassing van die arbeidsovereenkomst ter voorbereiding op een eventuele overname. Het gevoeligste punt betrof het verlangen van de groot-aandeelhouder om in de nieuwe arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding op te nemen. In de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst kwam dat beding niet voor. Uiteindelijk kwamen we tot een creatieve oplossing. Mijn cliënt ging uiteindelijk wel akkoord met het aangaan van dat beding nadat de groot-aandeelhouder bereidheid had getoond in te stemmen met ons voorstel een riante afvloeiïngsregeling te betalen in geval van eventueel toekomstig ontslag. Daarmee drukte de groot-aandeelhouder na door mij te zijn uitgedaagd uit dat de handhaving van het concurrentiebeding hem veel geld waard was en hij dat ervoor over had.
2nd opinion: kosteloos en met verviervoudigd resultaat
De statutair directeur van een werkmaatschappij behorend bij een grote bekende Nederlandse bouwonderneming benaderde mij via mijn website met het verzoek hem te helpen te onderhandelen over zijn ontslag. Zijn werkgever wilde hem ontslaan omdat zijn werkmaatschappij verliescijfers bleef laten zien. Mijn cliënt werd verweten onvoldoende in staat te zijn geweest het tij te keren. Voor mijn cliënt kwam de ontslagaanzegging echter onverwacht. Van tevoren hadden geen duidelijke gesprekken plaatsgevonden over de richting waarheen het moest. Bovendien was de groot-aandeelhouder voor het gemak even vergeten dat mijn cliënt bijgedragen had aan successen onder andere door grote bouwopdrachten binnen te halen en naar tevredenheid uit te voeren.
Mijn cliënt had een eigen rechtsbijstandverzekeraar. Ik adviseerde hem bij mij terug te komen voor een 2nd opinion als hij twijfels had over de kwaliteit van de rechtshulp. De polisvoorwaarden van rechtsbijstandverzekeraars verplichten namelijk de advocaatkosten te vergoeden indien de advocaat meer mogelijkheden ziet. De cliënt was inderdaad niet tevreden over de advisering en begeleiding van de verzekeringsmaatschappij en keerde bij mij terug. De verzekeraar schatte in dat een hogere afvloeiingsvergoeding dan 30.000 euro er niet in zou zitten, voor mijn twijfelende cliënt onverteerbaar.
Ik hield de werkgever voor dat naar mijn mening mijn client nimmer statutair directeur was geweest. De formele vereisten waarmee een werknemer de status van statutair directeur verkrijgt ontbraken namelijk. Er was namelijk geen aandeelhoudersvergadering geweest, zoals wettelijk vereist, waarin de benoeming had moeten plaatsvinden. De werknemer die niet de status van statutair directeur heeft geniet wettelijke ontslagbescherming. De werkgever verkoos daarop voor de zekerheid ervoor zelf het initiatief te nemen door de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden voor het geval die inderdaad toch nog zou bestaan. Tijdens de zitting kwamen we alsnog tot elkaar. Mijn cliënt kreeg 170.000 euro, bijna anderhalve ton meer dan zijn rechtsbijstandverzekeraar als haalbaar oordeelde.
De weggetreiterde manager
Mijn cliënt is bijna 14 jaren in loondienst werkzaam als divisiemanager van de afdeling IT Products & Solutions. Plotseling zet zijn werkgever hem uit zijn functie. De werknemer gaat hiermee alleen onder protest akkoord. Vervolgens maakt de werkgever zich schuldig aan pesterijen en intimidaties met de kennelijke verwachting dat de werknemer daardoor ontslag zal nemen.
Deze medewerker schakelt vervolgens mij in als zijn advocaat. Samen bouwen we een dossier op tegen deze werkgever. Na enkele maanden vragen we aan de Kantonrechter om de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhoudingen te ontbinden. Tevens vragen wij aan de Kantonrechter om de werkgever te veroordelen tot een bovengemiddelde ontslagvergoeding.
De Kantonrechter wijst ons verzoek volledig toe. Hij is met ons van mening dat de werkgever bij de functie-ontheffing onzorgvuldig heeft gehandeld, temeer omdat de werknemer bezig was met een coachingsprogramma. Hij is het voorts met ons eens dat de werkgever onvoldoende gelegenheid aan mijn cliënt heeft geboden om de kritiekpunten te verbeteren. De Kantonrechter toont er begrip voor dat mijn cliënt niet wil werken onder een collega met wie hij eerder op hetzelfde niveau samenwerkte. Vanwege dit alles acht hij een bovengemiddelde schadevergoeding (van € 143.000,-) ten gunste van mijn cliënt op zijn plaats.
De disfunctionerende werkgever
Een medewerker werkt sinds 1980 als service-specialist bij een bedrijf dat is gespecialiseerd in optische instrumenten. Tot zijn beoordeling van 2000 was zijn werkgever steeds letterlijk "zeer tevreden" over zijn functioneren. In 2001 gaf zijn werkgever aan hem te kennen dat hij zich "op zijn nabije toekomst" diende te oriënteren. Vervolgens sprak de werkgever met de werknemer over diens ambities. Daarop bracht zijn werkgever hem in contact met een loopbaanbegeleider. Ook vroeg zij de medewerker om aan een "personal improvement plan" mee te werken. Na een half jaar concludeerde de werkgever dat de medewerker zich onvoldoende zou hebben verbeterd.
Tot verrassing van de medewerker overvalt zijn werkgever hem in 2003 met een ontslagaanzegging. De werkgever geeft hierbij aan de redenen ervan nog te moeten formuleren. Als hij navraag doet stelt de werkgever dat partijen "een kleine drie jaren" in "een proces" zouden zitten op weg naar beëindiging van het dienstverband in verband met zijn functioneren. Dan schakelt de medewerker mij als zijn advocaat in. De werkgever besluit ondanks onze inhoudelijke feitelijke en juridische bezwaren de Kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens vermeend disfunctioneren.
De Kantonrechter geeft ons volledig gelijk en wijst op grond van ons verweer het ontbindingsverzoek categorisch af. Hij is het met ons eens dat uit geen enkel beoordelingsverslag bleek dat de werkgever eerder te kennen had gegeven dat de medewerker niet voldoende zou functioneren. Ook is hij het met ons eens dat de ontslagaanzegging voor de medewerker onverwacht is gekomen omdat de klachten over zijn functioneren niet eerder dan ter gelegenheid van zijn ontslagaanzegging werden besproken. Op welke aspecten de medewerker onvoldoende zou scoren blijft ook voor de Kantonrechter met zoveel woorden onduidelijk. Hij drukt zijn begrip voor de medewerker uit dat hij een advocaat heeft ingeschakeld. Het "personal improvement plan" betitelt de kantonrechter als een wassen neus. Hij neemt ons betoog over dat die alleen was ingezet om de medewerker voor ontslag voor te sorteren en het daarom een ongeloofwaardig plan is. De medewerker is nooit geschorst geweest en werkt tot nu toe naar zijn eigen tevredenheid nog steeds bij dezelfde werkgever.
Opgebouwd krediet
De medewerkster werkt sinds 25 jaar bij een plaatselijke supermarkt, waarvan de laatste jaren als verkoopmedewerker op de slijterijafdeling. Tijdens een reorganisatie waarmee enkele personeelsleden om bedrijfseconomische redenen moeten afvloeien, wordt zij onverwacht op staande voet ontslagen. Na controle van het electronische spaarpuntensysteem stelt de werkgever vast dat de verkoopmedewerkster zich spaarpunten heeft toegeëigend van klanten die tegenover haar aangaven dat zij die niet zelf wilden hebben. Alhoewel de verkoopmedewerkster zich van geen kwaad bewust is geweest, is de supermarkt van oordeel dat de verkoopmedewerkster hiermee zich ten onrechte had verrijkt.
De verkoopmedewerkster schakelt mij als haar advocaat in. In overleg met haar dagvaard ik haar werkgever in kort geding. Daarbij vorder ik loondoorbetaling en hervatting van de werkzaamheden op straffe van een dwangsom. De Kantonrechter oordeelt dat de verkoopmedewerkster weliswaar een ernstige fout heeft gemaakt, maar gaat met ons betoog mee dat de bijkomende omstandigheden dat in dit geval anders maken. De Kantonrechter: "De medewerkster is echter al meer dan 25 jaar bij de supermarkt (en eventuele rechtsvoorgangers) in dienst; zij stelt dat zij bij allerlei controles steeds als onberispelijk uit de bus is gekomen en de supermarkt heeft ook van geen enkele ongerechtigheid in die langdurige periode melding gemaakt. Dat de supermarkt haar handelwijze streng afkeurt is begrijpelijk en redelijk; maar bij een dienstverband van deze lengte en een staat van dienst als deze verkoopmedewerkster heeft, gaat toepassing van het zwaarste middel van ontslag op staande voet toch te ver. Het is dus aannemelijk dat het ontslag op staande voet het in de bodemprocedure niet zal halen. Uit één en ander volgt dat de dienstbetrekking in stand gebleven is. Het salaris moet dus worden doorbetaald." Daarnaast weigert de Kantonrechter om te voldoen aan het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Een streep door de verrekening
Mijn cliënt is in juni 2000 als statutair directeur in dienst getreden van een transportbedrijf. Tijdens een aandeelhoudersvergadering in juli 2002 ontslaat zijn werkgever hem per 1 september 2002. Zijn werkgever beschuldigt hem ervan de boekhouding niet correct te hebben gevoerd. Het salaris over de maanden april tot en met augustus weigert de werkgever uit te betalen.
Omdat de werkgever mijn brieven niet beantwoordt, dagvaard ik op verzoek van mijn cliënt het transportbedrijf in kort geding voor de President van de Rechtbank. De President is het met ons eens dat sprake is van een spoedeisend belang en dat voldoende aannemelijk is dat de werkgever aan mijn cliënt het loon verschuldigd is. De tegenvordering die zijn werkgever tegen hem instelt wegens vermeend ontbreken van kasgeld, wijst de President af omdat mijn cliënt een deugdelijke verklaring daarvoor heeft kunnen geven en die tegenvordering ook niet voldoende in kort geding is vast te stellen.
De zuinige autodealer
Mijn cliënt werkt sinds 1988 als autoverkoper bij een Eindhovense autodealer. Hij krijgt regelmatig salarisverhogingen. Ook was zijn werkgever zodanig tevreden over hem dat hij extra bonusvergoedingen kreeg. Na overname van het autobedrijf weigert de opvolgende werkgever aan hem de overeengekomen onkostenvergoeding en de pensioenpremies door te blijven betalen. De nieuwe werkgever stelt dat deze weigering noodzakelijk zou zijn wegens forse bedrijfseconomische verliezen.
Op verzoek van mijn cliënt wijs ik zijn werkgever erop dat het juridisch niet toegestaan is arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. De werkgever is naar aanleiding daarvan uiteindelijk wel bereid de pensioenpremies alsnog door te blijven betalen, maar laat het voor wat betreft de eenzijdig ingetrokken onkostenvergoeding desondanks aankomen op een kort geding bij de Kantonrechter. De Kantonrechter geeft ons volledig gelijk. De werkgever dient ook de achterstallige overeengekomen onkostenvergoeding alsnog aan mijn cliënt te blijven doorbetalen, maar wordt tevens veroordeeld tot betaling van de gemaakte incassokosten. Deze uitspraak is gepubliceerd in een vaktijdschrift (JAR 2003/152) en is hier te vinden.
Porno op de werkcomputer
De medewerker werkt sinds 1986 bij DAF, laatstelijk als controleur kwaliteitsdienst. Op 8 mei 2006 ontslaat DAF hem op staande voet. De reden is dat op zijn computer 6 pornografische afbeeldingen worden aangetroffen, alsmede zo'n afbeelding op een centrale harde schijf. DAF stelt als beleid te hanteren dat het gebruik van zulke afbeeldingen dient te worden teruggedrongen.
Voor de medewerker resteert geen andere mogelijkheid dan de vernietiging van het ontslag in te roepen en in kort geding hervatting van zijn werkzaamheden en doorbetaling van zijn salaris te vorderen. Daarvoor schakelt hij mij als zijn advocaat in. In overleg met hem voer ik aan dat de waarschuwingen van de werkgever nooit hebben uitgeblinkt in duidelijkheid. Bovendien heeft de werkgever nooit aangegeven dat zij als sanctie van de overtreding tot het ultieme ontslag op staande voet zou overgaan.
De Kantonrechter geeft ons hierin gelijk. Hij oordeelt dat de medewerker weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld door porno op zijn computer aanwezig te hebben, maar dat het gegeven ontslag op staande voet in dit geval een veel te zware sanctie is. De Kantonrechter betrekt hierbij niet alleen de lange duur van het dienstverband en het goede functioneren van de medewerker. Ook oordeelt hij dat de werkgever onvoldoende duidelijk is geweest in zijn verbod en de daarop rustende sancties. Een schriftelijk waarschuwing vond de Kantonrechter meer op zijn plaats.
De Kantonrechter concludeert dat DAF mijn cliënt tot zijn werk moet toelaten en zijn salaris moet doorbetalen. Ook wordt DAF veroordeeld in de proceskosten van mijn cliënt. Deze uitspraak is gepubliceerd in een vaktijdschrift (JAR 2003/77) en is hier te vinden.
De gepensioneerde bankdirecteur
Mijn cliënt is directeur van een lokale bank in de omgeving van Eindhoven. Na 35 jaren trouwe dienst vraagt zijn werkgever hem ontslag te nemen wegens reorganisatie (samenvoeging van banken). Hij maakt gebruik van een speciale regeling van vroegpensioen. In de beëindigingsovereenkomst had hij bedongen dat hij qua salarisontwikkeling op dezelfde wijze zal worden behandeld als ware hij als directeur actief gebleven.
Twee jaren na zijn ontslagname gaat zijn voormalige werkgever over tot een forse systematische en structurele salarisaanpassing van de actieve directeuren. Zijn werkgever weigert echter om ook aan mijn cliënt dezelfde aanpassing te geven. De werkgever is van mening dat partijen slechts zouden hebben beoogd dat het vroegpensioen van mijn cliënt gelijke tred zou houden met de loonontwikkeling.
Mijn cliënt voelt zich genoodzaakt de lokale bank als zijn voormalige werkgever te dagvaarden. Nadat hij mij heeft ingeschakeld, doe ik tegenover zijn voormalige werkgever uitvoerig uit de doeken welke bedoeling partijen destijds voor ogen stond bij het aangaan van de beëindigingsregeling en tegen welke achtergrond die beëindiging plaatsvond. De Kantonrechter zet alle feiten en juridische aspecten systematisch op een rij en komt met ons tot de conclusie dat mijn cliënt op dezelfde structurele systematische salarisverhoging aanspraak heeft als de directeuren die nog wel in vaste dienst zijn. Hij wijst de salarisvorderingen van mijn cliënt toe, evenals de gevorderde wettelijke verhoging, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
De adverterende fysiotherapeut
Mijn cliënt heeft een fysiotherapiepraktijk in de omgeving van Eindhoven. Bij hem werkt parttime een fysiotherapeut in loondienst. Daarnaast werkt deze man op de overige tijden in de praktijk van mijn cliënt voor eigen rekening en risico als manueel therapeut. Na enkele jaren vestigt hij zich onverwacht elders in de stad als fysiotherapeut. Daarbij plaatst hij in een regionaal dagblad een advertentie met de tekst "Deskundigheid zit soms dichterbij dan u denkt". Zijn arbeidsovereenkomst met mijn cliënt wil hij echter blijven voortzetten. Mijn cliënt is laaiend en wil deze man ontslaan.
Op zijn verzoek vraag ik namens deze werkgever een ontslagvergunning aan. Daarbij voer ik aan dat de verhoudingen door toedoen van deze werknemer ernstig zijn verstoord. Het Arbeidsbureau stelt ons in het gelijk en geeft de vergunning zonder mee af. Nadat de opzegbrief is verstuurd, dagvaardt deze man mijn cliënt omdat hij van mening is dat het ontslag onterecht is. Ik verdedig bij de Kantonrechter de handelwijze van mijn cliënt. De Kantonrechter oordeelt uiteindelijk dat mijn cliënt deze man terecht heeft ontslagen en dat het aan hemzelf is te wijten dat de verhoudingen zijn verstoord door niet vooraf over het vestigen van een eigen praktijk overleg met mijn cliënt als zijn werkgever te voeren. De gewezen werknemer wordt door de Kantonrechter veroordeeld in de proceskosten.
Van non-actiefstelling naar gouden handdruk
Mijn cliënte werkte in Eindhoven als rayonmanager voor een landelijk bekend uitzendbureau. Nadat zij ziek is geworden, ontheft haar werkgever haar uit haar functie. Haar werkgever stelt dat zij zich na reorganisatie niet meer zou kunnen vinden in de gewijzigde organisatie. Ook zou zijn volgens haar werkgever een conflict hebben met haar leidinggevende.
Na enkele maanden schakelt deze medewerkster mij in als haar advocaat. Namens haar protesteer ik tegen de functie-ontheffing. Namens mijn cliënte betwist ik de feitelijke juistheid van de gronden waarop die ontheffing heeft plaatsgevonden. Omdat de werkgever ondanks mijn sommatie weigert mijn cliënte weer tot haar werk toe te laten, vorder ik die toelating voor de Kantonrechter in kort geding. De werkgever op haar beurt vraagt dan aan de Kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verstoorde verhoudingen.
Tijdens de zitting brengen wij naar voren dat mijn cliënte weliswaar kritiek heeft geuit op de gewijzigde organisatie, maar dat het haar werkgever zelf is geweest die om die kritiek heeft gevraagd. Bovendien kan daaruit niet worden afgeleid dat mijn cliënte niet met die nieuwe organisatie zou kunnen leven. Ook heeft haar werkgever zich niet eerder kritisch over het functioneren van mijn cliënte uitgelaten. Het argument van de werkgever dat zij een conflict zou hebben met haar leidinggevende, is volgens ons niet meer relevant, omdat die leidinggevende inmiddels elders een betrekking had aanvaard.
De kantonrechter is het met ons eens dat de door de werkgever naar voren gebrachte incidenten geen functie-ontheffing rechtvaardigen. Evenmin gelooft de Kantonrechter dat de verhoudingen zouden zijn verstoord. De Kantonrechter deelt onze mening dat de werkgever die verstoring mijn cliënt ten onrechte in de mond probeert te leggen, want hij kan er niet omheen dat mijn cliënte betwist dat uit de kritiek die zij heeft geuit kan worden afgeleid dat zij niet met de gewijzigde organisatie zou kunnen leven. Ook vindt hij het merkwaardig dat de werkgever zich niet eerder tegenover mijn cliënte over deze verwijten heeft uitgelaten. De Kantonrechter veroordeelt het gerenommeerde uitzendbureau dan ook om mijn cliënte op straffe van een dwangsom binnen twee dagen tot haar werk toe te laten. Het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, wijst hij af. Deze uitspraak is gepubliceerd in een vaktijdschrift (JAR 2002/110) en is hier te vinden.
Op basis van deze uitkomst trad het uitzendbureau via mij met mijn cliënte in onderhandeling om het dienstverband op minnelijke wijze te beëindigen. Dat heeft geleid tot een bovengemiddelde, forse gouden handdruk voor mijn cliënte.
Zwakbegaafde beschuldigingen
Tot mij wend zich een man die sinds 1974 werkzaam is als groepsleider in een instelling voor zwakbegaafde mensen. De aanleiding zijn beschuldigingen van zijn werkgever dat hij 25 jaar eerder een zwakbegaafde bewoonster zou hebben verkracht en misbruikt. Deze zwakbegaafde bewoonster zou dit onlangs hebben geopenbaard. Mijn cliënt ontkent de beschuldigingen in alle toonaarden.
Zijn werkgever, met name een leidinggevende die persoonlijke rancunes koestert, gelooft echter de zwakbegaafde bewoonster in plaats van een van haar meest trouwe medewerkers die op het punt staat met vroegpensioen te gaan. Zij durft hem echter niet op staande voet te ontslaan, maar vraagt eerst aan CWI om toestemming voor ontslag. CWI weigert die toestemming wegens onvoldoende bewijs. Vervolgens probeert de werkgever de Kantonrechter te verleiden tot het ontbinden van de arbeidsovereenkomst.
In overleg met cliënt schakel ik de bekende rechtspsycholoog professor Wagenaar in. Deze hoogleraar oordeelt vernietigend over het door de werkgever uitgevoerde 'onderzoek'. Het onderzoeksrapport was namelijk alleen voor hulpverleningsdoeleinden opgesteld en mocht blijkens uitdrukkelijke vermelding niet als waarheidsvinding worden opgevat. De onderzoekster had aan de bewoonster vooral veel suggestieve vragen gesteld. Hier kwam bij dat het heel goed mogelijk was dat de zwakbegaafde bewoonster mijn cliënt had verward met een mannelijke, seksueel gestoorde bewoner die destijds ook in het opvanghuis verbleef en uiterlijk veel op mijn cliënt leek.
Tijdens de zitting naar aanleiding van het ontbindingsverzoek laat de Kantonrechter merken veel twijfels te hebben over de in opdracht van de werkgever gehanteerde onderzoeksmethode. Hij acht de kans reëel dat de beschuldigingen onterecht zijn. Op basis van die uitlatingen treden we in moeizame onderhandeling met de werkgever. De werkgever erkent eindelijk de twijfels over de betrokkenheid van mijn cliënt. Na volhardend aandringen onzerzijds blijkt de werkgever uiteindelijk bereid te zijn tot betaling aan mijn cliënt van een forse gouden handdruk waarmee hij de tijd tot aan zijn pensioen kan overbruggen. Bovendien lukt het daarmee zijn vroegpensioen veilig te stellen.
De onredelijke reder
Mijn cliënt werkte voor een reder als kapitein op een binnenvaartschip. Nadat hij enkele jaren later als gevolg van een arbeidsongeval arbeidsongeschikt is geraakt, ontdekt hij dat het salaris niet overeenkomstig de cao wordt uitbetaald. Hij spreekt zijn werkgever hierop aan, maar deze betwist hem als kapitein te hebben aangenomen. Wel zou hij als "schipper" zijn aangenomen. Mijn cliënt is woedend en schakelt mij in als zijn advocaat.
Omdat ook mijn brieven niet in vruchtbare aarde vallen, dagvaard ik de reder voor de Kantonrechter en vorder het achterstallige salaris overeenkomstig de functie-indeling van mijn cliënt als kapitein. De totale opgelopen vordering beloopt enkele tienduizenden euro's. De Kantonrechter gelast een getuigenverhoor. Hieruit komt naar voren dat meerdere getuigen de reder hebben horen zeggen dat hij mijn cliënt als kapitein aannam. Op grond van deze getuigenverklaringen wijst de Kantonrechter de vorderingen van mijn cliënt geheel toe. Tevens veroordeelt hij op onze vordering de reder tot betaling van de wettelijke verhoging van 20 procent over het achterstallige bedrag, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
Vlak voordat getuigenverhoor plaatsvindt, vliegt één van de schepen van de reder in de brand. Omdat de verhouding tussen partijen in toenemende mate gebrouilleerd was geraakt en de reder op alle mogelijke manieren te kennen gaf niet van plan te zijn vrijwillig tot betaling van de vorderingen over te gaan, heb ik met toestemming van de rechtbank conservatoir beslag laten leggen op de nog uit te keren verzekeringsgelden en op de overige schepen die bij de reder in eigendom waren. Dat bleek buitengewoon gelukkig en succesvol. De reder zag zich genoodzaakt een bankgarantie af te laten geven. Dankzij die bankgarantie kon ik voor mijn cliënt alle bedragen incasseren waartoe de reder jegens mijn cliënt was veroordeeld.
Vakantiegeld verdiend over vakantiedagen
Na jarenlang als inseminator te hebben gewerkt voor een bedrijf dat stierzaden aan rundveebedrijven levert, neemt de medewerker zelf ontslag. Zijn werkgever gaat over tot uitbetaling van de openstaande vakantiedagen en overuren en het opgebouwde vakantiegeld. Daarbij weigert de werkgever echter, ook na mijn herhaald aandringen, het vakantiegeld over de uitbetaalde vakantiedagen mee te berekenen. Het gaat om een aanzienlijk saldo omdat de medewerker structureel overwerkte en geen vakantiedagen had opgenomen.
Nadat deze medewerker mij als advocaat inschakelt, schrijf ik zijn werkgever hierover aan. Ik wijs de advocaat van zijn werkgever op jurisprudentie van de Hoge Raad, die zich ooit erover heeft uitgelaten dat ook over de uit te betalen vakantiedagen bij het einde van het dienstverband vakantiegeld dient te worden berekend. De gewezen werkgever blijft echter hardnekkig aanvullende uitbetaling weigeren. Ons resteert geen andere weg dan de werkgever te dagvaarden. Na twee schriftelijke rondes ontkomt de werkgever er niet aan ons alsnog haar ongelijk te bekennen. Zij komt alsnog over de brug en dient aan mijn cliënt behalve de salarisachterstand de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en alle proceskosten te betalen.
Onterecht ontslag voor Schotse medewerker
Een medewerker uit Schotland kreeg van zijn Nederlandse werkgever ontslag zonder duidelijke reden. Omdat hij in Schotland woont geniet hij geen preventieve arbeidsrechtelijke ontslagbescherming. Desondanks hebben wij zijn Nederlandse werkgever in kort geding gedagvaard. We beriepen ons er ondermeer op dat het ontslag vanwege het ontbreken van een deugdelijke reden onredelijk was. Tijdens de schorsing van de zitting onderhandelden we met de werkgever. Die kwam toen alsnog over de brug met de nabetaling van 3 maandsalarissen. De Schotse medewerker is hiermee schadeloos gesteld en kan hiermee in Schotland alsnog een werkeloosheidsuitkering aanvragen.
Kostbare wijziging van pensioengrondslag
Een voormalige medewerker van een grote bouwonderneming had gedurende meer dan 25 jaren pensioen opgebouwd. Hij ontdekte echter tot zijn ontsteltenis dat sprake was van een pensioengat in de opbouw ervan. Bij nader onderzoek bleek zijn werkgever halverwege het dienstverband de pensioenvoorwaarden eenzijdig te hebben gewijzigd. Omdat de werkgever ondanks ons aandringen weigerde het pensioengat aan te vullen, hebben we deze werkgever gedagvaard voor de Kantonrechter. De Kantonrechter heeft de vordering van deze medewerker alsnog toegewezen. De Kantonrechter bevestigde dat de werkgever destijds niet zonder instemming van de werknemer tot eenzijdige verslechtering van de pensioenvoorwaarden had mogen overgaan. Het betrof een financieel belang van ruim € 150.000,-.
Ontslag op staande voet ingewilligd
Een autodealer benaderde mij omdat een van de vestigingsdirecteuren vooral voor eigen gewin bleek te werken. Hij bleek te sjoemelen met het afrekenen van zelf afgenomen producten, met het voorraadbeheer, met het inruilen van auto's, met onkostennota's en dergelijke. Een en ander werd door ons nog eens pregnant bevestigt in een onafhankelijk financieel onderzoek dat uitmondde in een eenduidig rapport. Met deze bevindingen hebben we deze vestigingsdirecteur op staande voet ontslagen. Voor de Kantonrechter heeft de gewezen werknemer geprobeerd onder dit ontslag uit te komen, maar de door ons gepresenteerde feiten waren zo overduidelijk dat de Kantonrechter onvermurwbaar bleek. Het ontslag op staande voet bleef onverkort in stand.
Alle genoemde rechterlijke uitspraken zijn in het openbaar uitgesproken en op mijn kantoor in te zien.Mr. Marco Swart










